Roddels in Indië en Nederland, was Julie een Jappenhoer?

1945 – 15 augustus 2016 – TV kijken naar de 15 augustus herdenking bij het Haagse Indisch Monument doe ik al jaren niet meer. Het irriteert mij al jaren dat de oudjes, de overlevenden, de getraumatiseerden, de vele lieve mensen die zich soms dagelijks en vrijwillig inzetten voor de ‘Indische Kwestie’ niet op de eerste rijen zitten. De Bobo’s en andere ‘hooggeplaatsten’ horen aan de zijkanten en achterin. Die behoren hun plaatst te weten. 


Ergens, ik weet niet meer waar. Hoorde ik. Dat de Hollandse families Rutte en Dilling vroeger, dus vóór 1942. Véél geld hebben verdiend in Nederlands-Indië. De eerste echtgenote van de vader van Mark Rutte zou in een Japans kamp overlijden. Vader Izaäk Rutte hertrouwde met haar zuster. Mark heeft hierdoor drie oudere halfbroers. Natuurlijk weet ik niet zeker of de familie Rutte ooit veel geld verdiende in Indië. Vermoedelijk zijn het roddels.

Roddelen is een menselijke activiteit waarbij over iemand wordt gesproken - in ongunstige zin en vaak onwaar - zonder dat de persoon in kwestie bij het gesprek aanwezig is. Zo staat roddelen beschreven in de Wikipedia. Er wordt nog aan toegevoegd dat het juridisch ook tot een ‘misdaad’ gerekend kan worden. 

In het Nationaal Archief bevinden zich duizenden dossiers met verklaringen door burgers. Opgenomen tussen 1945 en 1950 door de NEFIS. Ofwel de Netherlands Forces Intelligence Service. In 1941 opgericht als Nederlandse militaire inlichtingendienst en in 1942, nadat Japan Indië zou gaan bezetten naar Melbourne overgeplaatst. In september 1945 kwam de NEFIS weer naar Batavia.



De dienst hield zich voornamelijk bezig met het verzamelen van inlichtingen omtrent politieke groeperingen die mogelijk pro-republikeins zouden zijn en dus tegen de terugkomst van de Nederlanders. Er kwam ook een nieuwe afdeling burgerzaken bij. (Sectie V) Civil affairs Intelligence.

Mijn grootvader van moeders kant komt in verschillende dossiers voor. Ook andere familieleden. De pro-republikeinse houding van grootvader Vander Steur werd hem niet in dank afgenomen. Julie, mijn moeder zou ook verdacht worden van republikeinse sympathieën. Zij zou immers volgens Bandoengse ‘kennissen’ met de Japanners gecollaboreerd hebben. Die kennissen wisten dat al vanaf oktober 1945 op het NEFIS bijkantoor in Bandoeng te vertellen. Julie zou zelfs in december 1945 gesignaleerd zijn in Bandoeng.


Julie was echter al op 18 oktober 1945 door republikeinse groeperingen met 850 andere Indo’s en blanken vastgezet in de Boei Lama gevangenis te Cheribon. Pas eind april 1946 zouden deze gevangenen na zeven verschrikkelijke maanden per overvolle trein in Batavia geruild worden voor een andere trein met door de Nederlanders gevangen genomen republikeinen.

Al eerder schreef ik dat de publicatie van het boek over Julie zoveel langer duurt omdat het uitzoeken en verwerken van de dagelijks toenemende informatie geweldig veel tijd inneemt. Het boek beschrijft niet alleen het verhaal van Julie maar ook de geschiedenis en de positie van de zeer diverse Indo gemeenschap op Java.

Een geschiedenis die begint als de familienaam van de moeder van Julie rond 1820 opduikt in Surakarta wat heden Solo heet. Waar de oorspronkelijk Duits-Nederlandse familie Deuning al enige generaties zonen levert aan het privé leger van de Sultan. Zonen die tot Dragonder werden opgeleid.

 rechts oom Charles Deuning

En over het werk van Thomas Raffles. Die als initiator word gezien van de wetenschappelijke geschiedschrijving van Indonesië met zijn in 1817 verschenen boek History of Java. Later zou Raffles adviseur worden van Willem 1. Die nooit Indië heeft bezocht maar wel in 1824 de Nederlandsche Handel-Maatschappij heeft opgericht. Om de handel met Nederlands-Indië te bevorderen ten gunste van de welvaart in Nederland en om de koninklijke zakken te vullen.


Dat lukte uitstekend door vanaf 1827 de handel in opium te monopoliseren. Er werden meteen grote winsten gemaakt die toe zouden nemen toen vanaf 1830 het cultuurstelsel werd ingevoerd. Tot circa 1940 zou Nederland jaarlijks genieten van de vele jaarlijkse Indische miljoenen guldens die nu miljarden euro’s zouden zijn.

Miljoenen die via de Nederlandsche Handel-Maatschappij naar Nederland werden overgemaakt. De NHM heet nu de ABN. Op de hoofdrekening van de ABN staat momenteel een bedrag van meer dan 3 miljard Euro winst. Een fijn bedrag wat uitstekend gebruikt zou kunnen worden om de Backpay claim eindelijk eens op te lossen.


De inkomsten uit Indië zijn immers over de ruggen van miljoenen Inlanders en vaak met grote loyale steun door honderdduizenden in Indië geboren Indo’s vergaard. Maar ook door bijvoorbeeld de Ambonezen en andere aan het koningshuis getrouwe medelanders. De blanken uit Europa hadden weliswaar de leiding maar zonder de onderdrukking en uitbuiting van de inlanders en Indo’s hadden zij nooit zoveel kunnen verdienen.  

De in Indië aanwezige Hollanders hadden al ver voor 1942 een groot inlichtingen netwerk waarmee de relatief kleine groep Hollanders met het wetboek, militairen en de politie de boel uitstekend onder controle hielden met maar een doel. Zorgen dat er optimaal geld werd verdiend voor persoonlijk gewin én voor de Nederlandse Staat.

Een land ondemocratisch regeren lukt prima door meningsverschillen en roddels om te zetten in vergrijpen en misdaden. Door Indo’s iets meer te betalen voor geleverde diensten dan de Inlanders en iets meer opleidingskansen te gunnen. Wordt de onderlinge haat en jaloezie weer bevorderd. En zodoende kan je dat als heersers weer ‘wettelijk’ aanpakken. Als extra controle element zorg je als land voor de komst van blanke cultuurbrengers. Zendelingen, onderwijzers, westerse artistieke activiteiten, enz. Waar je als Inlander of Indo aan mag deelnemen als je ‘er aan toe bent’.

De Indo ontleende een gedeelte van zijn status aan zijn erkenning als Nederlander. Als staatsburger. Zij betaalden in Indië belasting, spaarden voor hun pensioenen. Konden eigen inboedels aanschaffen. Soms land kopen en huizen bouwen. Toch vreemd dat de bijna 300.000 Indo’s die vanaf 1945 naar Nederland moesten vluchten hun eigen overtocht moesten betalen.


En soms jarenlang mee moesten (af)betalen aan de eerste opvang in Nederland. Geen compensatie kregen voor geleden verliezen en geen achterstallige salarissen vergoed kregen. Daar wordt je sprakeloos van. Later werd dat het Indisch Zwijgen genoemd. En dat Indisch Zwijgen heeft bepaald niet voor eenheid onder de Indo’s gezorgd. Wel voor nare roddels die ook nu weer hun kop opsteken rond het Indisch Platform en de Backpay affaire.

Toen ik ongeveer twaalf jaar oud was kwam er drie huizen verder een nieuwe familie wonen. De doorzonwoning was maar twee maanden leeg geweest. De nieuwe kinderen stonden wat onwennig bij het hekwerk van hun nieuwe voortuin. Hallo hoe heten jullie. Maureen, Joyce, Peter en Ankie. Peter en ik waren ongeveer even oud. Peter had mooi golvend zwart haar en een bruin getinte huid. De meisjes hadden lang zwart haar en mooie donkere ogen. Peter en ik leken eigenlijk op elkaar. Zijn jullie Indisch?

Een blok verder woonde een Ambonese familie. Zij waren kleiner van stuk dan wij. Thomas was mijn vriendje. Wij zaten in de zelfde klas. Thomas had een bril. Hij had een grote gitaar waar hij bijna achter verdween. Samen zongen wij wel eens liedjes op school. Zoals My Bonnie is over the ocean. Indo jongetjes zongen toen veel en graag.

Bij Thomas thuis op bezoek gaan kon niet. Vader heeft het moeilijk zei Thomas. Waarmee vroeg ik. Met Holland zei Thomas, want hij is vroeger soldaat geweest.  En nu is hij boos op Nederland. Meer kreeg ik niet te horen.

Al eerder hadden wij een Indische familie ontmoet. De moeder bleek een kind te zijn van een zus van onze Indische oma. Haar eerste echtgenoot was omgekomen aan de Birmaspoorweg. Haar tweede echtgenoot was een oud KNIL soldaat. En lieve man die dag en nacht nare beelden in zijn hoofd kreeg. Van de interneringskampen en daarna zijn aandeel in de strijd tégen de republikeinen. Hij was het gelukkigst op z’n werk. Een tropische kas vol met rode rozen. Mijn kinderen, zo noemde hij de rozen. Het zijn net mensen zei hij: mooi maar met scherpe doornen.

De grootmoeder van Maureen, Joyce, Peter en Ankie verscheen aan het hek. Zij was een fors gebouwde Indische met zeer Hollandse trekken. Met haar wat scherpe stem vroeg zij. Zijn jullie Indisch? Ja, onze moeder wel. Hoe heet zij dan met haar meisjesnaam? Van der Steur. Oh een van der Steurtje zei de oma. Hun moeder is een Steurtje riep zij naar haar schoondochter en zoon die in de deuropening stonden! Maureen, Joyce, Peter en Ankie komen jullie maar naar binnen zei de oma. Op de achtergrond zagen wij de frêle moeder die een Chinees-Indische uitstraling had. Oma was duidelijk de baas.


Thuis vroeg ik aan moeder Julie. Ma, wat is een ‘Steurtje’? Hoe kom je daarop zei moeder. Nou de nieuwe buurvrouw, die oma van hun. Zij keek zo raar toen ik zei dat jij van der Steur heet. Onze oma luisterde mee. En vroeg. Hoe heetten die nieuwe buren. Wij noemden de familienaam. Oma en moeder keken elkaar aan. Oma fluisterde ‘oh uit Bandoeng’ en keek gespannen naar Julie. Ma zweeg en draaide haar hoofd naar het raam. Keek langdurig naar buiten. Er hing een stil verdriet om Julie heen.

De nieuwe buur oma had voortaan liever niet dat wij met haar kleinkinderen speelden. Mijn Indische oma plaatste de mysterieuze opmerking ‘ach, dat mens komt van Makassar’. Pas veel later zou ik horen dat ‘Steurtjes’ veelal gemengdbloedige weeskinderen waren die in het gesticht van Pa van der Steur werden opgevoed. Kinderen die veelal door Nederlandse soldaten of ambtenaren waren verwekt bij inlandse vrouwen. Als de diensttijd er op zat vertrokken de soldaten naar Nederland. Zonder ooit hun kinderen erkend te hebben of enige zorgplicht te voelen.

Pa van der Steur was een échte oom van Julie en heeft gedurende 46 jaar meer dan 7000 kinderen opgevangen en een opvoeding gegeven. Gerard de broer van Julie is vanaf 1935 tot maart 1942 ook een kind van Pa geweest.

Julie, mijn moeder. Werd in het naoorlogse Bandoeng voor Jappenhoer uitgemaakt. In de geheime archieven van het Nationaal Archief bevinden zich tientallen verklaringen van hoofdzakelijk Indo’s die in augustus 1946 aan de teruggekeerde Nederlanders zonder concreet bewijs wisten te vertellen dat o.a. Julie met de Japanners zou hebben ‘gecollaboreerd’. De naam van de nieuwe buren, van die oma met die snerpende stem. Komt ook voor tussen de verklaringen uit Bandoeng.

Julie was in 1944 wel eens in Bandoeng gesignaleerd. In een Japans kakikleurig uniformjurkje. Met de afbeelding van een roze bloesem op de linker borst geborduurd. Japanse burgers en Indo’s die voor de Japanners werkten droegen dat embleem.


De inlandse bevolking en circa 70.000 Indo’s waarvan het merendeel vrouwen met kleine kinderen waren niet in de kampen opgeborgen. Veel Indo mannen wel. Die waren immers gemobiliseerd geweest dus militairen en die werden wel in kampen opgesloten. Zoals de broer van Julie die al in april 1942 was opgesloten en in december 1942 via Singapore naar Thailand vervoerd zou worden om aan de Burmaspoorweg te werk gesteld te worden. Julie en haar broer Boy zouden elkaar in mei 1946 weer zien.

In aanvang was de inlandse bevolking pro-Japans waardoor de buiten het kamp verblijvende Indo-Europese groeperingen zich zeer behoedzaam door het ontwrichte Java moesten bewegen. Vanaf 1943 werd het de inlandse bevolking duidelijk dat Japan geenszins van plan was Indonesië onafhankelijk te laten worden. Japan gebruikte Java de inwoners van Java om met name het leger en de Japanse bevolking te voeden.


De Japanse regering kocht voor bodemprijzen meer dan de helft van de vaak onder dwang geproduceerde voedselproductie. Waardoor er ook onder de Inlandse bevolking een groot tekort aan voedsel ontstond. De grote hongersnood vanaf begin 1944 heeft op Java meer dan 2 miljoen levens gekost. Pas enige maanden na de capitulatie van Japan in augustus 1946 verbeterde de voedselsituatie enigermate.

Vanaf januari 1946, dus vijf maanden na de capitulatie van Japan en ná de bloederige Bersiap periode waarin de Indonesiërs zich tegen de ‘bevrijders’ keerden. Werd het iets minder onrustig maar was het nog steeds gevaarlijk in grote delen van Bandoeng. Over de periode ná de capitulatie van Japan in augustus 1945 is genoeg te lezen in boeken en via het internet.

Uit de verslagen in de nationale archieven valt op te maken dat grote groepen Indo’s elkaar tijdens de bezetting en na de moeilijke jaren het leven zuur maakten met verdachtmakingen op basis van roddels. Iedereen die het wellicht een beetje beter had gehad gedurende de bezetting had vast wel met de Japanners geheuld. Achteraf bleek ook dat het geroddel in en buiten de kampen vaak als nieuwsfeiten werden gepresenteerd en tegen beloning door meeluisterende inlanders aan de Kempeitai of de politie waren doorgegeven.  

Op 5 augustus 1946 heeft Julie een zes pagina’s lange verklaring afgelegd die haar geheel en al zou vrij pleiten van enige collaboratie met de Japanners. Toch bleven er tot ver in 1947 verklaringen binnen komen. Over Julie en vele anderen die ‘fout’ geweest zouden zijn. Roddels en achterklap. Al ver voor de Japanse bezetting waren roddels en achterklap uitzonderlijk populair in Indo kringen. De Indo’s bevonden zich immers al tientallen jaren ingeklemd tussen de blanke overheersers en de inlandse bevolking. Zij verdienden voor het zelfde werk als de blanken vaak minder dan de helft. En hadden zelden de kans om hogerop te komen dan hun blanke collega’s die het zelfde werk deden.

Onder de honderdduizenden Indo’s waren de tegenstellingen zeer groot. Er waren weinig Indo’s die op het hoge welvaartsniveau van de blanken leefden en veel meer Indo’s die niet meer dan een bamboe hut in een kampong bezaten. Hierdoor ontstond er veel haat en nijd onder de Indo’s. Op een eiland waarvan in 1940 circa 90% van de bevolking niet kon lezen en schrijven.

Er waren Indo’s die een erkende Nederlandse status hadden en er waren nog meer Indo’s die niet erkend waren door de Nederlandse regering en na de Indo uittocht naar Nederland vanaf 1945 niet weg konden komen. Velen van hen hebben later Indonesische namen aangenomen om gevrijwaard te blijven van discriminatie en pesterijen door de Indonesische bevolking.

Het onderlinge wantrouwen onder de eerste generatie Indo’s die naar Nederland kwamen is kennelijk ook in 2016 niet afgenomen. Ook velen onder de tweede generatie Indo’s waar ik bij hoor, heeft de neiging tot het aanhoren van roddels en nemen dan de beslissing om op basis van de roddels personen sociaal uit te sluiten of zelfs publiekelijk af te branden via de heden zo populaire sociale media.

De al zeventig jaren lopende Indische kwestie of ‘backpay’ claim richting de Nederlandse overheid. Word tot op de dag van vandaag omgeven door boze zich terugtrekkende Indo’s die het niet eens kunnen worden over de te volgen aanpak. Gevolgd door verwijten, ruzie en roddels over de te volgen aanpak rond de claim om tot uitbetaling over te gaan van achterstallige salarissen en compensatie voor geleden verliezen van bezittingen.

Het kost mij echter geen enkele moeite om géén namen te noemen. Dat wordt een zinloze en smakeloze exercitie, en ik wil er onder geen beding aan mee doen. In de afgelopen jaren hebben ik veel fantastische en lieve Indo’s uit alle etnische geledingen gesproken. Indo’s van de generatie van vóór de oorlog in Azië die naar Nederland moesten vluchten en ontmoetingen met hun in Nederland geboren kinderen. Waar ik er zelf ook een van ben.

En allen hebben verhalen over verlies, over minachting op Java en later in Nederland, over zwijgzaamheid, over onverwerkte trauma. Over vaders die mysterieus driftig werden of veel te gesloten waren. Over moeders waarvan je wist dat zij innerlijk dagelijks huilden. Over ouders die ’s nachts vreselijk dromen hadden. Verhalen van hun kinderen die mee moesten lijden met het onbegrepen verdriet van hun ouders. Of zij wilden of niet.


Julie heeft vanaf oktober 1942 tot april 1943 voedsel, geld, medicijnen en kleding uitgedeeld in een van de armste wijken van toenmalig Bandoeng. Julie maakte deel uit van een kleine verzetswerkgroep die elkaar alleen bij voornaam kenden. De middelen werden gefinancierd uit de weg geboekte Postbank tegoeden. De militaire Japanse politie werkte nauw samen met de geheel van blanke invloeden gezuiverde nationale politie. Op zoek naar verdwenen tegoeden en verzetshaarden.

Vanaf april 1942 tot ver in 1943 hebben honderden Indo’s en blanken hun verzet met langdurige martelingen en vaak de dood door onthoofding moeten bekopen. Julie werd gedwongen de onthoofding van twaalf gevangen genomen Europeanen, Indo’s en Ambonezen bij te wonen.

Charlotte de moeder van Julie leefde indertijd samen met een Hollander die een grote wasserij had. Hij werd in april 1942 in een kamp opgesloten. Evenals de schoonmoeder van Julie. Daar zouden beiden ook overlijden. Charlotte werd gedwongen de wasserij aan de Merdikaweg voortzetten. Haar klanten werden Japanse officieren en Japanse burgers. Julie werd als marine officiersvrouw in 1942 uit haar huis in Soerabaya gezet en woonde met haar twee kleine kinderen van twee en een jaar oud enige tijd in het grote huis bij de wasserij in Bandoeng.

Vanaf januari 1943 werden haar collega’s in het verzet in de daarop volgende maanden door de Kempeitai ofwel de zeer gevreesde Japanse politie met hulp van de nu geheel uit Indonesische politieagenten bestaande nationale politie gearresteerd en afgevoerd naar gevangenis om langdurig verhoord te worden. Uit voorzorg heeft Julie in maart 1943 elders in Bandoeng een kamer gehuurd en haar oudste kind bij haar moeder achtergelaten. De jongste bij een oud PTT collega.


Eind april 1943 is Julie door de Kempeitai gearresteerd. Zij werd verhoord met hulp van mijnheer Ono een Japanner die al jaren op Java had gewoond. Julie had een nichtje. Deetje werkte als winkelhulp in de juwelierszaak van mijnheer Ono aan de Bragaweg. Al eerder was de Indo bevolking gewaarschuwd voor de loslippigheid van Deetje. Pas in 1996 heeft Julie een heftig gesprek gehad met Deetje. Deetje vertrok diep beschaamd naar huis.

Julie werd opgesloten in een gevangenis waar hoofdzakelijk Ambonese militairen werden vastgehouden. Na een week mocht Julie opeens naar haar huurkamer terug. Enig dagen laten werd zij ’s nacht verrast door het hoofd van de Kempeitai en de Indonesische toenmalig commissaris van politie. Zij werd geslagen, verkracht en telkens opnieuw verhoord. Na enige dagen werd haar voorgehouden: of je gaat voor ons (de Kempeitai) werken of je kinderen, je moeder en andere familie overleven het niet.

Eind mei 1943 wordt Julie gedwongen naar Jakarta te vertrekken. Zij wordt tewerkgesteld als animeermeisje in een bar-restaurant met bordeel waar Japanse officieren afspraken met bemanningsleden van de vele Duitse onderzeeërs die rubber en ander belangrijk materiaal vervoerden voor de Duitse legermacht. Omdat Julie vloeiend Duits spreekt moest zij de Duitsers afluisteren.  

Enige maanden later ontmoette Julie een schoolvriendin uit Bandoeng. Marie was een Japans-Hollands meisje. Rond 1930 woonden er circa 6000 Japanners op Java. Velen werden later gedwongen door de oplopende spanningen Indië te verlaten. Of werden anderzijds gesommeerd naar Japan te komen. Na de bezetting door Japan werden de Japanners die o.a. Java goed kenden door het Japanse leger ingezet als tolk, spion en bestuurder (zij werden economen genoemd) van de geconfisqueerde Nederlandse overheidsinstellingen en bedrijven.

Marie werkte met haar Japanse echtgenote in een Japanse Sakurawinkel. Een winkel waar Japanse militairen en burgers hun inkopen konden doen. Marie zou de eerste zijn aan wie Julie zou vertellen dat zij zwanger was. Het zou in het voordeel van Julie zijn om de zwangerschap uit te dragen. Want hierdoor zou zij haar gedwongen baan in het bordeel niet voort kunnen zetten. Door bemiddeling van Marie kon Julie in december naar het hoofdzakelijk door Chinezen bewoonde Cheribon vertrekken.

Julie werd met goedvinden van de Kempeitai in huis geplaatst van landbouwkundig ingenieur mijnheer Okuda. Overdag moest zij Okuda bijstaan als secretaresse op het kantoor van de voor de Japanners belangrijk Mestfabriek Java in de haven van Cheribon. Die bevond zich op korte afstand van de oude Boei Lama gevangenis. 

’s Avonds en ’s nachts  moest Julie mijnheer Okuda gezelschap houden en de glazen bijvullen van de lokale Kempeitai leiding die met veel drank bij moesten komen van hun acties. Na de bezetting zou blijken dat er juist in Cheribon veel Chinezen en inlanders zwaar hebben geleden onder het Kempeitai schrikbewind.  

Eind maart 1944 werd de baby ‘dood’ geboren en begraven op het kerkhof van Cheribon. Julie kreeg hierbij hulp van twee bevriende Nederlands-Indische dames die een klein restaurantje dreven niet ver van het station van Cheribon. Julie heeft later onnoemelijk veel verdriet en schuldgevoelens over de dood van deze baby gehad. Ondanks de gruwelijke gedachte dat het kind een Japanse vader zou hebben. Had zij het gevoel een moord gepleegd te hebben. Na haar vlucht naar Nederland heeft zij getracht haar schuldgevoelens te compenseren met de geboorte van twaalf kinderen die zij met haar nieuwe echtgenoot Anton zou krijgen.

Julie moest regelmatig met Okuda mee naar Batavia en had daardoor ook de mogelijkheid om Marie te bezoeken. Door het persoonsbewijs en uniform met die mooie geborduurde bloesem van Marie te lenen had Julie de kans om in 1944 enige keren naar Bandoeng te reizen. Om haar kinderen en moeder te bezoeken. Na de capitulatie van Japan en vanwege de ernstige onrust in Cheribon kon Julie pas in oktober 1945 het huis van Okuda verlaten.

Bij het station van Cheribon werd Julie op 18 oktober 1945 door de republikeinse politie aangehouden en voor zeven maanden in de lokale Boei Lama gevangenis opgesloten. Eind april 1946 werden deze gevangen per trein geruild voor een trein met de door de Hollanders gevangen genomen republikeinen.


Toen Julie in juli 1946 voldoende was aangesterkt en haar moeder en twee kinderen in Bandoeng wilde ophalen. Bleek haar ex-collega van de PTT haar pleegkind of wel het tweede kind van Julie. Niet af te willen geven en startte de ‘Julie is een Jappenhoer’ campagne. Julie heeft toen een heldere verklaring afgelegd die haar volledig zou vrij pleiten. Maar het kwaad was al geschied. Julie was een Jappenhoer.

Julie heeft achteraf zeer geleden over de narigheden die over haar rond werden verteld. Nooit is zij bedankt voor hulp die zij met gevaar voor eigen leven heeft verleend aan de arme bevolking van Bandoeng. Wel sprak zij altijd ontroerd haar grote bewondering uit voor de sterke en zo aan Nederland loyale Ambonese gevangenen. Die haar vaak moed en kracht in hebben gesprokken toen Julie verschillende maken enig tijd in de gevangenissen van Bandoeng door moest brengen. Waaronder het bijwonen van onthoofdingen van haar collega’s uit het verzet.

Julie had niet alleen bewondering voor de sterke en loyale Ambonese militairen en hun vrouwen maar ook voor de Menadonese en Timorese vrouwen die onder buitengewoon  moeilijke omstandigheden hun kinderen in het vijandige Bandoeng alsnog groot wisten brengen. En zou haar derde peetkind de Ambonese Juliette Nanlohy, ooit geweten hebben van wie zij haar voornaam heeft gekregen?

In de afgelopen zeventig jaar hebben honderden Indo’s, maar ook Hollanders zich met veel inzet ingespannen om de Backpay claim op de Nederlandse overheid aan te kaarten, in leven te houden en uitgekeerd te krijgen. Het gaat om  twee hoofdzaken. Erkenning en vergoedingen.

Een overheid die zich vanaf 1946 weet te verschuilen achter vaagheden, ontkenning, relativering en een geolied werkend ambtenaren apparaat wat onder de telkens wijzigende regeringen fantastisch heeft meegeholpen de doofpotten met Indische ellende te vullen. Claims af te wijzen met nieuw bedachte wetjes. En af en toe en onder strikte voorwaarden een fooi werpend naar de overlevenden.

In een land waar bijna iedere Nederlander na 5 jaar Duitse bezetting in het verzet gezeten zou hebben. In een land wat als eerste Westerse land meteen een nieuwe oorlog begon. Om Indonesië zo snel mogelijk op nieuw in te lijven want de inkomsten uit Indië waren altijd uiterst lucratief geweest. In een land met een regering die de Amerikaanse hulpgelden om Nederland op te bouwen voor 50% zou besteden aan de opbouw van een nieuw leger om Indië weer in te kunnen nemen. 



Een leger bestaande uit jonge Hollandse jongens van soms nog geen zeventien jaar oud die vlak na de oorlog Indonesië moesten ‘bevrijden’ van die primitieve moordende republikeinen. 

De Nederlandse overheid en de ambtenaren hebben vaak prima kunnen profiteren van het gebrek aan eenheid onder de Indo groeperingen die min of meer gedwongen moesten samenwerken om de Backpay claim bespreekbaar te houden. De achterklap zoals ook Julie het in het oude Bandoeng had beleefd was echter ook mee gekomen uit het oude Indië.

Pas vanaf begin jaren zeventig in de vorige eeuw begon de Indo gemeenschap in Nederland zich meer te uiten. De roep om erkenning en herdenkingen werd steeds luider. Oudere Indo’s bleken vaak kwalen en gedrag te vertonen die gerelateerd konden worden aan onverwerkte trauma. Aan niet begrepen zijn. En het onvermogen om zich te kunnen uiten. Onder Indo’s was al direct na aankomst in Nederland de gewoonte ontstaan om elkaar ‘je moet het maar vergeten, het is voorbij’ in te praten.

Maar juist het niet kunnen praten over het geleden verleden. Het verbitterde zwijgen. De ingehouden woede over de koude ontvangst na aankomst. Het uitblijven van achterstallige salarissen en vergoedingen. En het vol heimwee verorberen van de heerlijkste hapjes op de Pasar Malam’s. Helpen niet mee aan de verwerking. Maar zorgen voor ingehouden boosheid, irritatie en opnieuw weer die roddels en achterklap.

De vele ruzies en voortdurend uiteenvallende stichtingen die als doel hadden ‘erkenning en backpay’ hebben de zo op doofpotten verzotte overheid geweldig geholpen om de backpay discussie voortdurend vast te laten lopen. In de afgelopen maanden van dit jaar heeft het Indisch Platform, wat zou bestaan uit vertegenwoordigers van een 25tal stichtingen een klein succes weten te behalen. Er zou 25 miljoen Euro beschikbaar gesteld worden aan ‘overlevenden’ waarvan er sommigen bijna 100 jaar oud waren.


Kennelijk was het Indisch Platform onvoldoende voorbereid op dit vooralsnog kleine succes vlot en afdoende te verwerken richting een voorspoedige uitkering. Het gaat immers in een later stadium om een bedrag van meer dan 3 miljard Euro. Zoals al eerder was gebeurd bleek de uitkerende instantie, de Sociale VerzekeringsBank niet voldoende voorbereid te zijn op hun taak. Kende de dossiers niet. Had al oude archieven af laten voeren. Terwijl er een ware hausse van telefoontjes en e-mails ontstond die géén van de aangesloten stichtingen van het Indisch Platform wist te verwerken.

Eén lid van het Indisch Platform nam haar verantwoordelijkheid toen bleek dat de Sociale Verzekeringsbank en andere gesubsidieerde instellingen de beslissing van de overheid om tot uitkering over te gaan aan een relatief kleine groep overlevenden niet wisten te verwerken. Peggy Stein legde haar Amsterdamse goedlopende bedrijf voor enige maanden stil om samen met haar medewerkers de duizenden vaak zeer emotionele telefoontjes en mails te beantwoorden. Een kantoor met salarissen en alles er op en eraan kent uiteraard een uurprijs. Ik hoop van harte dat alle gemaakte kosten vergoed worden.   

In plaats van Peggy Stein en haar medewerkers te steunen en met haar mee te denken kwam men vanuit het Indisch Platform met verwijten en soms agressie maar geen concrete hulp om Peggy Stein en haar medewerkers bij te staan. Terwijl duidelijk was dat deze eerste 25 miljoen de opstap zou kunnen zijn naar een volgende stap. Om tot een finale oplossing te komen. Ofwel de uitbetaling van een bedrag van circa 3 miljard Euro. Een bedrag wat immers te vinden is bij de ABN de voormalige NHM bank van Koning Willem 1.

De huidige voorzitter van het Indisch Platform hult zich in minzaam lachend en geheimzinnig zwijgen. Alsof de door het Indisch Platform opgenomen taak afgerond zou zijn. Misschien is een korte pauze een goed idee. Een pauze om de zeventig jaar Backpay geschiedenis op een rijtje te zetten. Exclusief roddels en verwijten. En opnieuw dóór te strijden voor erkenning met een verjongd 2.0 en 3.0 Indisch Platform die samen met een of meerdere juristen het debat weer op gang brengen.


In november 1946 had het schip uit Batavia waarmee Julie naar Nederland zou vluchten een korte stop gemaakt in Napels. Julie had toen uit willen stappen. Niet naar Nederland gewild. In 1977 kocht zij een klein huisje in San Remo. Na haar scheiding in 1992 vertrok Julie voor goed uit Nederland. In Italië voelde Julie zich vrij. Nooit werd haar gevraagd: kom je uit Indië? Julie zou in 2001 overlijden.

Julie en ik waren zeer ontroerd toen wij rond 1996 in San Remo samen Het verstoorde leven van Etty Hillesum lazen. Julie overwoog indertijd haar levensverhaal te schrijven naar aanleiding van het boek. Na verschillende pogingen hield Julie er mee op. De pijn kwam te veel naar boven. Pijn van de gebeurtenissen en roddels in Indië en later de gedwongen assimilatie in Nederland.

Liever onderging zij de prikkende pijn van het planten van de honderden kleine cactussen die Julie zou planten op de glooiende oostzijde van haar zo aan Java denkende tuin in San Remo. De door Julie nagelaten aantekeningen zijn de aanleiding geworden om het verhaal van Julie in boekvorm te publiceren.


In 1942 schreef Etty Hillesum op vrijdag 3 juli in haar dagboek:


"De omstandigheden, de goede en de slechte, moet men aanvaarden, wat niet belemmert dat men zijn leven eraan kan wijden de slechte te verbeteren."